De Waal, R.W., R.J. Bijlsma (2003), Bossen van de keileemgronden, Betekenis van stagnerend grondwater voor de ontwikkeling van humusprofiel en vegetatie, Alterrarapport 804, Wageningen, 15, 16;
‘Het terrein bestaat uit een klein geïsoleerd bos langs één van de meanderende bovenloopjes van de Luttermolenbeek die op de flanken van de stuwwal van Oldenzaal ontspringt. De beek is diep ingesneden. Het bos is ontstaan op een door houtwallen omgeven voormalige vloeiweide. In het midden van de negentiende eeuw werd de vloeiweide op rabatten gezet en van greppels voorzien en werden Zomereik, Beuk en Es aangeplant. Het onderzoeksobject wordt gevormd door de vochtige bossen op de voormalige vloeiweiden. De bodem is opgebouwd uit een vrij dunne laag al dan niet verspoeld dekzand op stagnerende keileem of tertiaire klei op 50 cm tot 1 m diepte. Het dekzand is door bevloeiing bedekt met een dikke laag stugge beekleem die eveneens slecht doorlatend is. Langs de de noordoever van de beek is een zandige, droge oeverwal ontstaan.’