Collectie Overijssel, Ridderschappen in Overijssel 0004.1.1/690;
Voorjaar 1767 beklaagden de Bentheimer boeren Holthues, Koning, Hanneman, Weersman Velthof en Velt Lammert zich bij de richter in Halle over het afdammen van de bron door Harmen Schabos. Zij hadden het water zelf nodig voor hun hooilanden maar ook als drinkwater voor henzelf en het vee. Het bevloeien door Schabos leidde, zeker in droge tijden, tot grote schade voor de boeren in Halle. Dat de bevloeide plaggengrond op Bentheimer grondgebied lag maakte de kwestie extra gevoelig. Ze eisten een verbod op ʹhet stoppen dier welleʹ op straffe van tien goudguldens bij iedere overtreding. De richter uit Halle legde de klacht voor aan zijn collega in Ootmarsum. Naar voren kwam de vraag in hoeverre het individuele recht van Schabos en de Scholte zich verhield tot het gemeenschappelijke recht zoals omschreven in het grenstractaat van tweehonderd jaar eerder. De richter van Ulsen noemde het handelen van de twee boeren buitensporig en onredelijk. Het ging namelijk niet om percelen groenlanden die privebezit waren, maar om ʹeen stuk midden in een heetfeld gelegen groene plaggen met het regt van vloejinge of bedijkingʹ. Deze veldgronden waren van oudsher in gemeenschappelijk gebruik en beide boeren waren afhankelijk van de andere gerechtigde boeren of hun het plaggen en bevloeien werd gegund. Een uitvoerige briefwisseling tussen beide richters maar ook met rentmeester Perizonius en de Ridderschap die na de reformatie het beheer voerde over de oude Keizerlijke erven volgde. Zo blijkt uit de brieven dat Harmen Schabos niet de enige was die het water uit de bron tot zijn voordeel gebruikte. Ook de Scholte van Halle bevloeide zijn, naast Schabos, gelegen plaggengrond met hetzelfde water. Ondertussen ging Harmen Schabos door met het bevloeien en dit leidde in juni 1767 tot een herhaling van de eisen van de Haller boeren.