Bakker, T. (2009), Amsterdams’ Waterstaat, Amsterdam; 5,24;
Abrahamse, J.E. (2010), De grote uitleg van Amsterdam: stadsontwikkeling in de 17e eeuw, Amsterdam; 308/9;
De dam in de Amstelmond in de 13e eeuw, de latere vloeddeuren en schutsluizen moesten voorkomen dat zeewater de Amstel inkwam en er teveel zoetwater uitstroomde. Dat laatste was, net als bij de Hondsbossche Schutsluis in Zaandam (NH005), ook van belang voor het agrarische achterland. Dat had in droge perioden veel water nodig om het grasland te bevloeien. Met als gevolg dat de stadsgrachten in de zomer niet konden worden doorgespoeld en erbarmelijk stonken. Toch kwam er brak en smerig water in Amstelland terecht, tot groot ongenoegen van het hoogheemraadschap Rijnlanden dat scherp toezag op de waterkwaliteit. De bouw van de Amstelsluizen moest dit voorkomen en een scheiding tussen Binnen- en Buiten-Amstel bewerkstelligen. De stad kon bij vloed de grachten met zeewater vullen en alle smerigheid met vloed in het IJ lozen, ‘schuren’ heette dat. De zeesluizen kwamen in 1673 gereed, maar het vernuftige bouwwerk mocht niet baten. De eb/vloed beweging was te gering voor het enorme complex aan grachten. De groei van buitenplaatsen in schone lucht, langs diezelfde Amstel, was er mede het gevolg van. ‘De schone jonkvrouw’, zoals Amsterdam genoemd werd, zou pas in de 19e eeuw verlost worden, zo schamperden de stadsbewoners, ‘van haar slechte adem’.