Van Heek, G.J. et al. (1897), Verslag der Staatscommissie benoemd bij het Koninklijk Besluit van 5 mei 1893 No. 16 tot het instellen van een onderzoek omtrent de bevloeiingen, ‘s-Gravenhage; 139;*
Heuvel, H.W. (1928) Uit den Achterhoek, schetsen van land en volk, Deventer; 10; **
* ‘De Berkel (…) gaat (in Duitsland red.) door zeer vruchtbare terreinen, zodat dan ook haar water (in Nederland red.) zeer geschikt is om er gronden mede te bevloeien. (…) De eigenaars zijn er uitermate op het bevloeiingswater gesteld.’
**‘Van afstand tot afstand zijn er kokers van aarden buizen door den wal, aan de landzijde met een stop gesloten. Als ‘t water hoog is en troebelbruin van slib uit de bovenlanden, opent men ze in den winter en het voorjaar om de graslanden te ‘wetteren’ (bewateren), een soort wilde bevloeiing, die nog beter is dan bemesting, vooral nabij de kokermonden.’
Deze praktijk is ook bekend uit mondelinge mededelingen, (Noaberdag het Lankheet 2016), boer Johan te Raa (Berkelland / Rekken) vertelde dat diens grootvader rond 1900 ten behoeve van graslandbevloeiing over een eigen ‘koker’ beschikte.