Van Heek, G.J. et al. (1897), Verslag der Staatscommissie benoemd bij het Koninklijk Besluit van 5 mei 1893 No. 16 tot het instellen van een onderzoek omtrent de bevloeiingen, ‘s-Gravenhage; 8, 140;
Zuurdeeg, N. (1991) Water wijst de weg, Samenhangen in het landschap van de Achterhoek, in: Natuur en landschap in Achterhoek en Liemers, 5, 3 / 4; 98-106;
https://www.molendatabase.nl/molens/ten-bruggencate-nr-06908-e-bis
Van Loon, T. et.al (2020) Landgoederenzone Baakse Beek, Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit, Bronckhorst/Berkelland; 34-36;
De staatscommissie constateert in 1897 dat ‘op vele plaatsen’ langs de Baakse Beek (vroeger naar de verschillende dorpen genoemd die er langs lagen) bevloeiingen plaatsvonden. Dat waren echter niet de moderne rugbouwbevloeiingen die de commissie met overtuiging propageerde, dus werden ze verder niet beschreven. Het waren het type ‘wilde’ bevloeiingen zoals we die kennen van het stroomafwaarts gelegen Hackfort (GE001).
Op basis van veldonderzoek zouden grachtenstelsels rond de buitenplaatsen langs de Baakse Beek daarbij een verdeelfunctie hebben gehad, vooral bij een groot volume waterafvoer in de winter. Ook waren het de watermolens bij de buitenplaatsen die die rol vervulden, zoals bij de Wiersse. Net als in veel andere situaties hadden de boeren rond de Wiersse geen bezwaar tegen inundaties in winter en voorjaar, maar van 1 mei tot 1 september tot 17 september (Sint Lambertus) werden hier de schutten getrokken. Of er ook zomerbevloeiingen plaatsvonden na de eerste snede/grasoogst (irrigatie/aanvullen neerslagtekort) is niet bekend.
In regiobeschrijvingen en herinrichtingsplannen worden op basis van deze vroegere waterpraktijk vloeiweiden rond buitenplaatsen als de Wiersse ingetekend als potentiële locaties voor waterretentie.