Van Heek, G.J. et al. (1897), Verslag der Staatscommissie benoemd bij het Koninklijk Besluit van 5 mei 1893 No. 16 tot het instellen van een onderzoek omtrent de bevloeiingen, ‘s-Gravenhage; 117-118;*
Sepp, J. (1983), Van Snikjongen tot opduwer, in: S2eP2 Linux en binnenvaartgeschiedenis overgenomen uit Spiegel der zeilvaart, jrg7/nr.1;**
De staatscommissie vergelijkt hier de bevloeide graslanden langs de gekanaliseerde Tjonger met die langs het Koningsdiep niet ver van Beetsterzwaag en Gorredijk waar het gras er veel beter bij stond:
* ‘Hier is de oude toestand nog aanwezig, of de landen zijn tot een waterschap, Trimbeets, vereenigd; in dit laatste wordt de afwatering wel is waar niet door bijzondere middelen bevorderd, maar het opnemen van water beneden (uit het 6de en 7de Veendistrict) bij sterken regenval, iets hetgeen bijzonder nadelig is voor het gras, wordt toch door de uitwateringsluis tegengegaan.’
** ‘Van al dat geld werden de vaarwaters misschien wel onderhouden, maar niet verbeterd. Vooral Friesland was geweldig nalatig. Van nature was Friesland gezegend met veel water, maar boeren- en schippersbelangen botsten nog wel eens over het gebruik daarvan. Bij veel regen werd er – vóór de bouw van het stoomgemaal bij Lemmer – door de sluizen aldaar gespuid (“afgestroomd” zeiden de schippers). In droge tijden gebruikten de boeren het zoete water om hun landerijen te bevloeien en hun vee te drenken. Het peil zakte dan bedenkelijk en water inlaten uit de – zoute – Zuiderzee was natuurlijk uit den boze. Het “groene front” won het meestal van de schippers, die niet veel meer konden doen dan sarcastisch bordjes “Bouwland te koop” op de droge vaartbodem plaatsen, zoals in 1911 in het Koningsdiep.’