Van Heek, G.J. et al. (1897), Verslag der Staatscommissie benoemd bij het Koninklijk Besluit van 5 mei 1893 No. 16 tot het instellen van een onderzoek omtrent de bevloeiingen, ‘s-Gravenhage; 117-118;*
RWS (1887) 197445-1887-002 **
De staatscommissie vermeldt hier de algemene praktijk van winterbevloeiing, die echter door de normalisatie en kanalisering van de Tjonger werd bemoeilijkt, terwijl boeren er grote waarde aan hechtten. Een ingezetene van Donkerbroek wordt aangehaald om het nut van de winterbevloeiingen te onderstrepen. Eerst had hij twee flinke sneden gras, maar na de kanalisatie nagenoeg geen gras, maar alleen riet en onkruid. Daarom moest ‘de inrichting worden getroffen om hieraan te kunnen voldoen’:
* ‘Men heeft tegelijk met de aanleg van de genoemde werken toevoerkanalen voor bevloeiing aangelegd aan weerszijden van de rivier, en van afstand tot afstand zijn daarin tot dat doel stuwen aangebracht.’
** ‘De wederzijdsche bermslooten zijn ingericht voor de afwatering der landen wederzijds het kanaal, en kunnen tevens tot bevloeiing dienstbaar gemaakt worden.’
Om mede dit gebruik van water uit de genormaliseerde bovenloop en het kanaal te organiseren, zijn er einde 19e eeuw drie waterschappen opgericht: de Tjongervallei noordzijde, Tjongervallei zuidzijde en Het Bovenveld (bij Donkerbroek). We houden de schutten/stuwen op de historische topkaarten van dit gebied aan als globale oriëntatie voor voormalige bevloeiing in Ooststellingwerf.