Carsten, H.J. (1894), Het vloeien van hooi- en weilanden en den aanleg van vloeiweiden, hoofdzakelijk in Drenthe, Zwolle; 23, 32;*
Deze locatie werd in 1894 tot de categorie ‘kombevloeiingen’ gerekend, dat is het aanvoeren ‘onderstuwen’ van het water in een omkade vlakte tot een bepaalde hoogte, waarna het over lagere kaden of onder kaden via duikers of ‘vloeikokers’ naar een volgende kom weg kan stromen, na de ‘benedenste kom’ kan het ‘weder in de stroom of buiten het bevloeiingsterrein (worden) afgevoerd’, in dit geval de Kleine Vecht.
* ‘De gemeene weide de Coevorder Mars, groot 280 hectaren, was vroeger geheel ingepolderd en ontlastte toen haar water bij de Kleine Scheer, op de kleine Vecht. Was de waterstand in de Vecht hoog, dan werd de Mars door een stuw gesloten en van het vechtwater afgescheiden. De Mars is nu door het Coevorder kanaal in tweeën gescheiden en sedert verdeeld. Bij de akte van scheiding is echter het karakter van polder behouden en het onderhoud der ringdijk op de perceelen gelegd.’