Van Heek, G.J. et al. (1897), Verslag der Staatscommissie benoemd bij het Koninklijk Besluit van 5 mei 1893 No. 16 tot het instellen van een onderzoek omtrent de bevloeiingen, ‘s-Gravenhage; 125;*
* ‘(A)an den Zuidkant van de Hoogeveensche vaart, (worden) landerijen van het gehucht Veeningen, die zich nagenoeg van af het zogenaamde Paardevonder tot aan de Ossensluis over ongeveer een uur gaans afstand langs het kanaal uitstrekken, door middel van vloeikokers, welke met den bodem welke met den bodem 10. c.M. beneden het kanaalpeil liggen, met kanaalwater (…) bevloeid.’