Carsten, H.J. (1894), Het vloeien van hooi- en weilanden en den aanleg van vloeiweiden, hoofdzakelijk in Drenthe, Zwolle; 27; **
Kuiper, J. (1983), Boerenleven omstreeks 1890, in: Stichting Historie van Ruinen, Ruinen, 2,3; 14-15;*
* ‘In de wintermaanden, als de landerijen onder water kwamen te staan, was men daar blij mee. Dit gaf dan wat bemesting, door het slib dat achterbleef. Het onder water zetten van het land gebeurde door schutten te plaatsen in de bochtige waterlossingen. Deze schutten werden door de boeren zelf geplaatst. Zij kregen hier nogal eens ruzie over, omdat de één voor plaatsing was en een ander er tegen. In de jaren 1946/1947 is hier verandering in gekomen, toen het waterschap de bochtige en smalle waterlossingen verbreedde en veel bochten werden afgesneden.’
Boer Kuiper deed in 1983 op 88-jarige leeftijd verslag van deze vloeigeschiedenis. Bij Ruinen is dus tot 1947 bevloeid, de preciese locatie(s) worden echter niet in dit verslag geduid. Maar omdat dit de meest recente datering is van traditionele bevloeiing in Nederland, willen we hiervoor toch een representatieve locatie opnemen. Het gaat om een locatie waar op korte afstand drie schutten in de Ruiner Aa voorkwamen, met zelfs aan de eindstukken van de aanliggende zuidelijke hooi- en weilanden (geschutte) duikers/aflaten naar de hei, een teken van een overvloedig volume c.q. een ruim beschikbaar volume beekwater. Ook Carsten (1894) doet hiervan verslag:
** ‘(Er) wordt reeds sedert langen tijd en wordt ook nu nog het land langs beide zijden van de Ruiner-Aa in de gemeente Ruinen, door de gezamenlijke eigenaren dier landerijen gevloeid, door het op zekere afstanden plaatsen van schutten in die stroom en het in verband daarmede aanleggen van lage vloeikaden- en leidammen, waaronder het water over verschillende landerijen wordt geleid en verdeeld en zooals ik meen ook met gunstig gevolg.’